winterkleuren
Kleurrijke gasten rond mijn vogelvoederplek fleuren de sombere dagen op…
…en eten in twee weken al mijn vetbollen op. Noodgedwongen maak ik een zonnepitvoederfles.
`
Kleurrijke gasten rond mijn vogelvoederplek fleuren de sombere dagen op…
…en eten in twee weken al mijn vetbollen op. Noodgedwongen maak ik een zonnepitvoederfles.
Deze keer had ik weinig zin in mijn verblijf in Amsterdam want ik was juist zo ‘lekker bezig’ op ons landgoed Sévricourt. Vooral de takkenpoort die ik voor mijn vertrek begonnen was, bleef in mijn hoofd spoken. Na mijn aankomst ben ik dan ook gelijk daarmee verder gegaan. Het geheel moet volume krijgen en is zo’n 4 meter hoog. Dat betekent veel hout aanslepen… met de kruiwagen van de overkant van de beek. We hebben een sprokkelcontract afgesloten met de eigenaar van het gekapte perceel aldaar dus we hoeven niet meer stiekem ’s ochtends vroeg, tijdens de franse lunchtijd of ’s avonds te sprokkelen. Pierre haalt zijn four-wheel-drive auto erbij en met aanhanger gaan we door de beek en kunnen nu meteen flink brandhout verzamelen.
Nu heb ik flink wat grote takken die ik normaal met touw en hand moet slepen.
Na een paar dagen is de takkenboogpoort af. Al zal ik de komende tijd nog wel hier en daar wat opvullen of een mooi stuk gevonden hout als extra ornament toevoegen.
In mijn afwezigheid is ook Pierre du Moulin aan het stapelen geslagen. De oude haagbeuk is opeens een prachtige robuuste houtsculptuur geworden. Ook Timmerman is bezig met takkenrillen. Na één jaar op ons afgelegen landgoed zijn we alledrie overtuigd stapelgek geworden.
De westkant van het terrein wordt grotendeels in beslag genomen door een nogal kale grasheuvel met een recht traliehekwerk en uitzicht op de kale grasheuvel van de buurman. Tegen het hek mag best wat begroeiïng komen. Dit voorjaar heb ik er bramen geplant maar het is er zo droog, dor, kaal en winderig dat ze nu in november pas beginnen te groeien. Al eerder is me opgevallen dat onder een bos takken van alles gaat groeien - door de extra schaduw en vocht - dus ik besluit maar een bos takken te gaan aanbrengen. Nadat ik een rand takken neergooi zie ik vanuit de verte er niets meer van terug en het idee was ook om het hek wat te camoufleren. Dat moet anders kunnen. Ik wil een raamwerk van grillige takken stapelen dat als onderstel dient voor de daarboven ‘zwevende’ takkenril. Ik heb ook het hekwerk om wat takken in te haken.
Het werk is een soort omgekeerd Mikado. Heel voorzichtig leg en zet ik de takken neer en bouw een dragende constructie. Als ik er uiteindelijk een laag takkenafval op stort wordt het geheel stevig en sterk.
De koeien komen langs en kijken met belangstelling toe. Even later beginnen ze zich opeens met zijn allen te schurken aan de takken die door het hek steken. Alles schudt en beeft maar de takkenril houdt het gelukkig. Dan kan ik ook gerust zijn dat ie stormbestendig is.
Ik bedenk dat het wel leuk is om een ‘aftakking’ te maken die het terrein op slingert. Nadeel daarvan is dat Pierre dan wordt afgesneden van de route naar onze ’sterrenwacht’. Dit is een plateau boven op de heuvel waar straks Pierre’s sterrenkijker komt te staan. Nou ja, als ik toch met takken de hoogte in ga stapelen stapel ik wel een poort!
Ik maak een begin maar kan niet verder want ik ga binnenkort weer naar Nederland… bah… en ik moet nu toch écht het plafond van de woonkamer gaan dichten! Wordt dus ook weer vervolgd…
Langs de oever van de winterbeek die over ons terrein loopt maak ik een stenen walletje om de grond wat meer te beschermen tegen de grote hoeveelheid water die hier in de winter bij tijd en wijle langstroomt. Alleen bij extreem hevige regenval of bij veel smeltwater ineens is het een beekje. De rest van het jaar is het een droge geul die zomers dichtgroeit met allerlei planten, vooral brandnetel zoals overal op het terrein.
Ik heb een paadje vrijgemaakt van brandnetels zodat ik makkelijk stenen kan aanvoeren. Onmiddelijk opent zich een rustiek dichtbijgezichtje dat ook de prachtige oude haagbeuken in al hun glorie laat zien. Dus besluit ik van de wal gelijk maar iets leuks te maken want de rest van het jaar moeten we er ook naar kijken. Een soort grillige en sierlijke ‘landschapskunst’ staat me voor ogen en ik begin een golvende lijn stenen te stapelen. Wederom met stenen uit de ruïne, ditmaal met exemplaren die te klein zijn om muurtjes mee te stapelen.
Ik zoek eigenlijk nog een mooi object om er bij te plaatsen. Opeens denk ik aan een enorme wortelknol die Wilgenman en ik afgelopen zomer samen met drie lieren uit de beek hebben getakeld. We waren er de hele middag mee bezig en toen hij eenmaal op de twee meter hoge oever gehesen was ontschoot mij de moed om het ding helemaal naar huis te slepen. Loodzwaar was ie! Nu nog verzadigd met water. “Dan de knol eerst maar laten indrogen… dat scheelt kilo’s… en volgende keer ophalen”, zei ik tegen Wilgenman.
Samen met Timmerman ga ik kijken of er al beweging in de knol te krijgen is. Hij blijkt inderdaad goed ingedroogd te zijn en we kunnen hem met enige moeite omrollen. Timmerman heeft er zin in en gesteund door zijn elan rollen we hem binnen een half uur naar de weg. Het is al bijna avond en ik ben ook gelijk kapot. “Morgen van de weg door de beek rollen tot aan ons hek, en overmorgen naar de plek op het terrein”, stel ik voor. We bedenken ondertussen andere vervoersplannen en besluiten de volgende dag met de aanhanger tot aan de beek te rijden en de knol door de beek te rollen en dan met een lier op de aanhanger te hijsen. Zogezegd zo gedaan… Timmerman gaat wederom loos op het object.
Binnen het uur ligt de knol op zijn plek langs het beekje. Ik kan weer verder gaan stapelen…

Ratten hebben een slechte reputatie merk ik iedere keer weer. Als het woord rat valt, gaat het vaak in één zin gepaard met woorden als uitroeien, ziekte, afschieten e.d.
In alle gevallen gaat het hier om de over de hele wereld verspreide ‘gewone’ Bruine rat (Rattus norvegicus) die tevens bekend staat onder de namen rioolrat, stadsrat, waterrat, laboratoriumrat, tamme rat of gewoon ‘rat’.
Wie de beestjes ziet rondlopen kan nauwelijks snappen waar ze die reputatie vandaan hebben behalve uit slechte ervaringen… ooit… in de diepe middeleeuwen toen ze de pest brachten… maar misschien kwam de pest toen ook al met kippen mee. Op ziektegebied hebben we tegenwoordig niets meer te duchten van ze… er zijn jaarlijks enkele gevallen van de Ziekte van Weil maar dat is altijd door import uit andere landen, meestal van ver bijvoorbeeld uit Afrika. Daarmee hebben we tevens het grootste ziekteverspreidende zoogdier te pakken: de mens. Deze raast voor de lol de hele wereld rond, het liefst afgelegen gebieden bezoekend, en laat daarbij een spoor van ziektes achter zich, dat zich soms met een snelheid van 10.000 km per dag verspreidt.
Na de mens hebben we meer te duchten van onze varkens, koeien en pluimvee!
Kortom: de mythe van ratten als ziekteverspreiders is ver VERLEDEN TIJD! Ik wil er vanaf nu niet meer van horen!
Verder is het enige grote nadeel van ratten onze slordigheid met afval en hun gebit: ze kunnen soms aan dingen knagen waar we zelf duurzamere plannen mee hadden. Maar ja, dat staat in geen verhouding tot wat wij hen allemaal aandoen.
Als ode aan dit leuke tuindiertje heb ik een compilatie >> gemaakt van het gezellige gescharrel en geklauter rond mijn caravan.
Takkenrillen kun je nooit genoeg hebben. Om wat te variëren ben ik afgelopen jaar gaan stapelen met takken. Ik noem het bij gebrek aan beter maar een ’stapelril’ hoewel ik toch eens moet uitzoeken wat het woord ‘ril’ nou eigenlijk behelst. Wanneer is iets een ril? Nou ja, ik stapel er niet minder om en het is leuk om een beetje te beeldhouwen met dood hout. Of is ‘beeldleggen’ hier een beter woord voor?
Wederom nou ja … de padden en salamanders zal het een worst wezen, zij kunnen nu van de geul naast ons terrein makkelijk veilig oversteken naar de oever van ons meertje en er ’s winters gelijk blijven hangen om de koude nachten te doorstaan.
Langzaam begint het terrein om mijn caravan op een tuin te lijken. De vlakke oeverstrook krijgt meer reliëf en structuur. De lokale ratten blijken er in ieder geval tevreden mee en gebruiken mijn tuin als speelhof en ook deze vers verschijnende Honingzwammen zijn al tevreden.
Het wordt tijd voor een uitgebreid appartementencomplex op ons terrein want we willen honderden zo niet duizenden gasten aantrekken die hier permanent komen wonen, die het hier naar hun zin hebben en zo nu en dan het nodige nuttige werk verrichten. Ik heb het dan wel over insecten, spinachtigen, reptielen, amfibieën en vogels. Daarom begin ik met de bouw van een enorm insectenhotel. Deze komt aan de oostkant van de moestuin en werkt meteen als afscheiding tegen de koude ooster winterwind.
De materialen voor de onderste appartementen haal ik – met hulp van Pierre – uit de ruïne: kapotte dakpannen, bouwblokken en bakstenen van allerlei aard. Er liggen ook overal stenen met gaten erin… kant-en-klare woningen die zo betrokken kunnen worden.
Al doende ben ik ook al begonnen met het ontruimen van de ruïne. Een hoogmoedig plan want het opknappen van dit appartementencomplex staat pas gepland in 2020… de natuur heeft voorrang! Totaal wordt het ‘insectencomplex’ zo’n 6 meter lang. Wat ik nu kan doen is al snel klaar. Voor de rest moet ik op zoek naar bamboe, riet en andere holle stengels en ook kan ik nog stammetjes hout stapelen waar ik gaten in boor. Wordt vervolgt…
Vorig jaar toen we net ons landje hadden en een eerste kennismakingsvakantie hielden, ben ik meteen begonnen met oefenen van stapelen met natuursteen. Ik had het jaar daarvoor al eens in de Ardèche wat plantenbakken gestapeld maar ik was toen nog maar net begonnen of we gingen al weer weg.
Al jaren dus jeukt de stapelzin en nu was mijn kans om het eens echt uit te proberen. Dit ‘vrije stapelwerk’ zie je overigens overal in europa, hier gebeurt het met lichtbruine kalkzandsteen. Het stapelen is eigenlijk een vak waar je vele jaren over doet om het te leren… zelfs echte vaklieden zeggen nog ‘iedere dag bij te leren’.
Ik heb dan ook niet de illusie er veel van te gaan bakken maar dat is nog geen reden om het niet te doen. Ik heb dus noodgedwongen maar minder bezwaar tegen wat grotere kieren en minder vlakheid…
Eerste oefenobject is een podium voor de watertank voor de broodnodige regenwateropvang…
Aan de slag dus! Met wat oude balken als toplaag kan het resultaat er best mee door… !?!? Hopen dat het blijft staan.
Ook met duizend liter water blijkt het geheel stevig en solide dus een tweede moet er ook maar snel komen voor aan de andere kant van het dak. Na een klein begin duurt het een jaar en rond ik het nu eindelijk af.
Ondertussen ben ik ook al begonnen aan het maken van een plantebak van gestapelde steen bij de ingang. Dan kan ik daar gelijk een parkeerplaats mee uitzetten. De stenen hiervoor haal ik weer binnen handbereik uit de ruïne… wederom is er Pierre die me af en toe bijstaat met het tillen van al die zware jongens!
Dit is wat moeilijker dan de watertanksokkels want ik moet me nu boven aan een vaste breedte houden van de muur omdat buiten-, boven- en binnenkant vlak moet worden. Aan de onderkant kan ik nog wat smokkelen door sommige stenen wat dieper te leggen.
Het valt inderdaad niet mee. De kunst is om veel stenen om je heen te hebben liggen zodat je veel keuze hebt tijdens het puzzelen.
Hier en daar ligt het toch een beetje wankel… ik ga alles straks maar voegen met metselspecie… dan verschuift het niet meer… wel met specie volgens ouderwets recept.
Wordt vervolgd…
Vijf weken duurde het voor mijn auto weer in Nederland aankwam! Na de nodige oplapperij en bijna nog een week uitstel wordt het hoog tijd om weer naar Frankrijk af te reizen: het is tijd om de pompoenen te oogsten. Wildplukker had al van Pierre gehoord dat de pompoenen meer dan rijp waren en zelfs al hier en daar aangevreten en toen Timmerman meldde dat de gehele oogst reeds geschied was kwam er een golf van teleurstelling naar boven…
… maar dit nieuws blijkt bij aankomst - mijn auto haalt de overtocht glansrijk! - gelukkig loos alarm. Nu wil ik mijn enige moestuinambitie van dit jaar toch zelf tot een goed einde brengen.
Bij aankomst staan de planten nog hemelhoog te pronken, maar één nachtvorstje later zijn alle bladeren ineengezakt tot een soort slappe geblancheerde spinazie. Ik hoef me nu geen illusie meer te maken dat de wat kleine pompoenen nog tot wasdom komen! Door de vorstschade zie ik nu alles wel goed liggen… dat wordt de komende maanden pompoensoep, pompoentaart, pompoenquiche, pompoenbavarois, pompoenchutney, pompoenpureé… hmmm ik heb er (nog) zin in.
Na het maken van de foto’s vind ik er toch nog negen verstopt onder de bladeren. Met de al eerder geoogste exemplaren kom ik totaal op 45 pompoenen. Min 2 want deze zijn reeds ingenomen door muizen. Ze hebben van onderaf twee pompoenen uitgehold en de zaden allemaal weggesleept naar hun voorraadkasten ondergronds. Het zij ze gegund!
Wildplukker wil eindelijk terug naar Nederland na vele malen uitstel maar na 40 kilometer krijgt zijn auto alweer panne. Timmerman komt direct steun bieden maar tevergeefs: na twee dagen gepruts heeft de auto het definitief begeven. De Franse ‘depannage’ sleept hem weg. Timmerman neemt de aangeslagen Wildplukker met bagage weer mee terug.
Het is zondagmiddag en ik ben door de panne opeens noodgedwongen voor enkele dagen terug in mijn caravan… nu dreigt er een broodtekort. Tijd dus voor een pannebrood!
Het idee hierbij is dat je een brood bakt in een koekenpan in plaats van in een oven. Ik heb me er twee weken geleden al eens aan gewaagd omdat ik het Franse brood maar zo zo vind: weinig keuze op het gebied van bruin brood en dan nooit echt donker van kleur. De eerste poging gaat wonderwel direct goed en ook Timmerman en Pierre du Moulin worden door het principe geïnspireerd en bakken een eerste versie… met wisselend resultaat. Het is wel even uitproberen want we hebben geen recepten en ook geen kennis van de bereidingswijze. Na enig proberen blijkt het een redelijk makkelijke methode. Vanaf nu kunnen we zelf op ons gasstel eigen broden bakken!
De eerste pompoenen in de moestuin zijn ook op formaat. Ik wil er voor mijn vertrek één proberen. Hij is nog groen van binnen maar na het bakken in de olie is hij ongelooflijk lekker en zacht van smaak. Ik besluit wat door mijn tweede pannebrood van de dag te doen… samen met een restje chorizo.
Net warm uit de pan en alleen met wat roomboter erop smul ik ’s avonds van mijn pannebrood!
Op dag twee van mijn verblijf hier vind ik in de afgedekte strobaal vier kittens van onze lokale verwilderde zwerfkat. Daar zitten we echt op te wachten in onze kleine ecologische enclave! Dat zijn weer vier roofdieren die jaarlijks weer duizenden vogels, vlinders en andere dieren om zeep helpen. Maar natuur is natuur dus de moeder en haar jongen zoeken het maar uit! We besluiten om geen zorg voor ze te dragen… nature vs nurture beslist in het voordeel van nature. Moeder sleept het gezin weg en we zien wekenlang niets meer. Af en toe vragen we ons af of ze nog leven want moeder wordt enkele malen ver weg in haar eentje gesignaleerd. Wellicht hebben de uilen en vossen haar al beroofd van haar kinderen.
Als we vijf weken later gepiep horen in de ruïne loopt daar een van de kittens alleen rond. Het is een klein zwart-wit getekend en op het oog goed gevoed katje. Ze heeft een wat stomp hoekig lichaam en een korte staart, duidelijk lijkend op haar vader die we van het voorjaar hier even hebben zien rondscharrelen. Een paar dagen eerder is mijn gaste Waterjuffer gearriveerd en maakt als enige gebruik van de buitentoilet. Ook ik heb even een dag geleemd bij de ruïne. Mogelijk hebben we de moeder weer verstoord… maar ze komt het jong vast nog wel ophalen! “Zijn de andere drie ook nog in leven?”, vraag ik me af.
Waterjuffer vind het maar niets dat we de kleine nog even aan haar lot overlaten en ze bekijkt me met een blik alsof ik een wrede dierenbeul ben. Ik ken haar nauwelijks dus voel me door haar blik des te wreder: mijn nature-houding verschuift van binnen toch een beetje richting nurture. Maar ik blijf volharden! Als Waterjuffer twee dagen later vertrekt beloof ik haar op te letten. Dezelfde avond zie ik het katje in de zon zitten op het dekzeil van de waterput. Ik grijp mijn kans om haar te vangen en heb haar meteen beet. Ze voelt toch wat mager aan en ik neem haar mee naar mijn caravan om haar wat te eten te geven. Daar gaat ons nature-principe… nurture it is! Er staat nog een pan pasta met champignons, liefdevol bereid door Waterjuffer, en ze werkt de brokken met grote schokkende bewegingen naar binnen, tevens pogend mijn vingers er bij op te eten. Haar tandjes zijn vlijmscherp!
In nog geen tien minuten is ze volkomen dociel geworden en zitten we opeens met een huiskat! Terwijl Timmerman en ik het avondmaal nuttigen kruipt ze steeds beurtelings over ons heen. Ze klimt tegen onze pijpen op of springt met veel bravoure vanaf het lage tafeltje omhoog, daarbij vaak missend en al hangend zich weer opklauterend, en kruipt op onze schoot, onze borst en in onze nek. Ze begint ook enorm te spinnen en ik wist eigenlijk niet dat zulke kleine katjes dat al deden.
Nadat het katje de avond met ons had doorgebracht werd het bedtijd… voor mij dan. Ik had voor haar een mandje gemaakt van een kartonnen doos en vier jute zakken… deze eerst bij het kampvuur gezet waar ze lekker warm kon liggen… ze kroop toch liever in mijn jas.
Ik kon haar absoluut niet mee naar binnen nemen ivm met mijn allergie dus moest ik haar op een gegeven moment toch maar buiten achterlaten… waar ze bleef piepen aan mijn deur. Ik heb het mandje toen maar bij mijn deur gezet en haar er nogmaals in gedaan. Na enkele minuten was ze stil. De reservemand die ik toch maar in mijn caravan gemaakt had voor als ik haar te zielig zou gaan vinden zo alleen buiten bleef gelukkig ongebruikt. Bovendien zou ik dan ook een precedent geschapen hebben die onomkeerbaar zou kunnen blijken.
De volgende ochtend lag ze braaf verstopt tussen de plooien van de jute zakken. Nu ik eenmaal wakker en opgestaan was bleef ze op mijn schoot klimmen en in mijn nek kruipen. Ze spinde dat het een lust was. Wat later gingen we samen op de koffie bij Timmerman waar ze opeens ook begon te spelen met van alles. Ik heb ook meteen wat verse visjes voor haar gevangen die ze met veel smaak opat.
De rest van de dag gingen we gewoon aan het werk en ze dreutelde maar zo’n beetje achter ons aan als we even in haar buurt waren. ’s Middags weer wat visjes gevangen maar ze had niet heel veel honger meer. ’s Avonds bij het avondmaal kroop ze weer over ons heen maar deze keer lag ze al snel lekker in een plooi van mijn jas te slapen. Timmerman en ik waren volledig om: één roofdier op het terrein was toch wel acceptabel… ze zou dan de natuurlijke rol van vos op zich nemen. Timmerman stelde voor om haar een naam te geven en opperde dan maar Vos vanwege haar toekomstige rol. Bij ons tweede gezamenlijke avondmaal filosofeerden we over onze gedeelde vaderschapsrol: haar wel of niet binnen nemen?… toch maar naar het kattenvrouwtje in het dorp brengen?
Even later zagen we op de heuvel de moeder jagen. Met een muis in haar bek liep ze richting de caravan van Pierre du Moulin. We probeerden haar te volgen maar verloren haar uit het oog. Een half uur later zagen we Ma wederom jagen in het gras op de heuvel en binnen korte tijd had ze weer een muis in haar bek. Ze vertrok in dezelfde richting, vermoedelijk naar de geul in het weiland achter Piere’s caravan. Met Vos in mijn jaszak togen we richting de geul.
Onmiddelijk vonden we moeder en we zagen eveneens Vos’ drie broers/zussen rondscharrelen… ze hadden het al die tijd overleefd! We besloten direct om Vos maar weer met het gezin te herenigen. Aanvankelijk was ze onwillig en liep steeds terug naar ons maar toen ik haar diep in de geul zette begon ze te snuffelen en rook opeens duidelijk haar familieleden. We lieten haar achter met moeder en andere kinderen die op zo’n vier meter afstand zaten te kijken.
Ons gedeelde vaderschap kwam hiermee abrupt tot een einde! Timmerman en ik liepen bedroefd terug en mistten haar meteen al. Het was heel gezellig en we hebben veel gelachen om haar capriolen… Vos, het ga jou en de jouwen goed! Maar dan liever wel ergens anders!
Later op de avond nog gechecked of Vos niet piepte of alleen rondliep… maar het hele gezin was vertrokken.
De dag erna zag ik vlak voor de lunch moeder over de heuvel lopen. Door de kijker zag ik twee jonge katjes achter haar aanlopen waaronder Vos. Ze liepen net buiten beeld en verdwenen in het maïsveld op de heuvel. Die avond zagen we moeder weer jagen. Met een muis in haar bek liep ze weer naar de geul, onderwijl steeds in de verte naar ons kijkend. Het bleek een afleidingsmanoeuvre want daarna sloop ze stiekem naar het maïsveld en ze verdween op de plek waar eerder de hele familie al haar heil gezocht had.
De avonden erna zien we moeder nog regelmatig jagen. De vier kittens zullen geen honger hebben de komende tijd want ze heeft meestal binnen een kwartier een muis! Wel maken we ons zorgen over de maïsoogst. Als er grote machines komen is hun leven in gevaar. Ik besluit enkele dagen later dus maar even te gaan kijken: dan kan ik een filmpje maken en dan verkassen ze door de verstoring vast meteen naar een betere plek! Ik zoek en zoek maar kan ze niet meer vinden. Ze zijn al weg gelukkig.
’s Avonds zien we moeder weer gewoon jagen en met prooi het maïsveld ingaan. Maar gelukkig: de volgende morgen zie ik de hele familie het weiland oversteken en terugkeren naar de geul achter Pierre. Voorlopig zijn ze weer veilig!
Het verhaal is voor ons vast nog niet ten einde dus wordt wellicht vervolgd!